Begeleiding van een doofblinde

Op welke manieren kan je met een begeleider lopen? En waar moet een begeleider op letten als hij met jou loopt? Daar gaat deze pagina over.

Met een begeleider lopen

Vaak loop je samen met een begeleider, bijvoorbeeld een familielid of kennis. Je kunt op verschillende manieren samen lopen:

  • Elleboog: Houdt de elleboog van je begeleider vast. Je begeleider loopt een halve pas voorop. De begeleider waarschuwt je met zijn elleboog voor op- en afstapjes. Voordelen van deze manier van begeleiding is dat jouw begeleider zijn handen vrij heeft voor communicatie en zijn elleboog steun biedt.
  • Gearmd: Je loopt gearmd met jouw begeleider. Mensen die elkaar goed kennen, lopen vaak zo. Voordeel is de steun die de arm biedt. Nadeel is dat je minder goed merkt wat komen gaat en dat jouw begeleider zijn handen niet vrij heeft.
  • Schouder: Jouw hand leg je op de schouder van je begeleider. Deze manier van samen lopen, gaat alleen als jij langer bent dan je begeleider. Nadeel is dat het contact gemakkelijk wordt verbroken en dat je samen minder goed kunt manoeuvreren. Jouw hand kan bovendien als belastend worden ervaren.
  • Hand in hand: Je loopt hand in hand. Goede bekenden of kinderen doen dit vaak.

Tips voor begeleiders

Hieronder staan enkele tips voor het begeleiden van een doofblinde persoon:

  • Maak contact door voor de doofblinde persoon te gaan staan en zijn arm aan te raken.
  • Spreek je eigen naam langzaam en duidelijk uit of maak je op een andere manier bekend.
  • Vraag aan de persoon hoe hij het liefst begeleid wil worden. Geef geen ongevraagde hulp.
  • Zorg dat je jouw handen vrij hebt voor communicatie.
  • Vraag aan welke zijde je moet lopen. Als iemand een geleide- of hulphond heeft, is dat meestal rechts.
  • Ga niet voor een raam staan, in verband met tegenlicht.
  • Vermijd achtergrondlawaai.
  • Laat nooit iemand zomaar achter. Zeg dat je weggaat.

Zie verder In gesprek met een doofblinde.

Bijzondere situaties tijdens het begeleiden

Sommige situaties vragen om speciale aandacht. Hier zijn een aantal tips voor begeleiders in zulke situaties.

  • Noodsituatie: Een groot kruis op de rug is een erkend teken om een noodsituatie aan te geven. Het is niet bij iedereen bekend. Spreek daarom tussen begeleider en doofblinde persoon af dat je dit teken zult gebruiken in geval van nood. Begeleid hem snel naar een veilige plek. Leg daarna uit wat er aan de hand was
  • Smalle doorgangen en obstakels: Stem de hoogte en breedte af op twee personen. Doe je arm naar achteren, zodat de doofblinde persoon automatisch ook achter jou gaat lopen.
  • Deuren: Doe zelf de deur open. Na passeren kan de ander hem sluiten. Maak hierover wel afspraken.
  • Trappen: Loop wat langzamer als je een trap nadert om aan te geven dat er aandacht nodig is. Leg uit dat er een trap is en leg de hand van de doofblinde persoon op de leuning. De leuning geeft informatie over begin en eind van de trap en biedt steun bij het traplopen.
  • Instappen in auto: Leg de hand van de persoon die je begeleidt op de deurklink en open het portier. Geef met zijn hand de instaphoogte en de zitplaats aan.
  • Instappen in de bus:Wijs de stang van de deur aan. Begeleid hem in de bus naar een zitplaats.
  • Instappen in de Trein: Wijs de stang van de deur aan. Begeleid hem naar een zitplaats.
  • Nieuwe kamer: Kies een vast vertrekpunt, zoals bijvoorbeeld een deur. Ga met de rug naar de deur staan en leg uit hoe de kamer is ingedeeld en verken de kamer samen. Een doofblinde gebruikt beide handen voor oriëntatie en bescherming, één hand op borst/hoofdhoogte en één hand op heuphoogte. Verken ook andere belangrijke ruimten samen, zoals toilet en badkamer. Herhaal deze procedure totdat iemand zich enigszins vertrouwd voelt.
  • Gaan zitten: Leg zijn hand op de stoelleuning. Dat is voldoende tenzij iemand slecht ter been is. Schuif dan de stoel achter hem zodat hij hem met de benen kan voelen en veilig kan gaan zitten.