In gesprek met een doofblinde

Om een gesprek goed en plezierig te laten verlopen, kun je je gesprekspartner vragen rekening met jouw omstandigheden te houden. Hier zijn algemene tips voor de gesprekspartner van een doofblinde persoon.

Houd in gesprek met iemand die doofblind is, rekening met de volgende dingen:

  • Laat je aanwezigheid merken en zeg (bijvoorbeeld met Blokletters in de hand) wie je bent.
  • Ga niet zomaar weg, maar vertel dat je gaat.
  • Als je met meer mensen in gesprek bent, geef dan aan wie waar zit. Op die manier kan een doofblinde persoon zich oriënteren.
  • Geef informatie over de omgeving en de sfeer en vertel reacties van andere mensen. Spreek van tevoren af waar de interesses en de behoeften liggen.
  • Check of je elkaar goed begrepen hebt.
  • Check of er meer tijd nodig is om informatie te verwerken.
  • Neem de tijd voor communicatie. Communicatie met een doofblinde persoon kost tijd want er moet veel informatie worden uitgewisseld. Als je gejaagd bent, schept dit onrust en verwarring.
  • Het taal niveau van mensen is verschillend. Pas je taal zo nodig aan en formuleer eenvoudig en duidelijk. Praat wel in correct Nederlands en pas op dat je niet in telegramstijl praat. Soms moet je een woord uitleggen of omschrijven.
  • Zorg voor een goede structuur van het gesprek. Rond een onderwerp af voordat je aan een volgend onderwerp begint. Als je met een nieuw onderwerp begint en je gesprekspartner zit nog op een ander spoor, geef dan duidelijk de overgang naar het nieuwe onderwerp aan (bijv. “ik wil nu over iets anders praten, namelijk…”).
  • Vertel wat anderen zeggen. Verval niet in onderlinge gesprekjes met anderen.
  • Praat niet over het hoofd van je gesprekspartner. Probeer dit te voorkomen door hem zelf te laten reageren. Wees het ‘doorgeefluik’.
  • Schrijf belangrijke namen, afspraken e.d. op. Dit schept duidelijkheid en voorkomt misverstanden.

En in gesprek met een doofblinde die nog iets hoort:

  • Praat duidelijk en langzaam, maar niet overdreven langzaam. Te langzaam spreken haalt het ritme uit de woorden en zinnen.
  • Praat niet te hard als iemand een gehoorapparaat draagt. Het hoorapparaat versterkt schreeuwen, maar het spreken wordt niet duidelijker verstaanbaar.
  • Spreek van korte afstand. Hoe korter de afstand, hoe minder geluiden de communicatie verstoren.
  • Vraag aan welke kant je het beste kunt gaan zitten. Soms hoort iemand aan één kant beter.
  • Als iemand toch een woord niet kan verstaan, kan het helpen het woord te spellen met het telefoonalfabet (A van Anton, B van Bernard enz.).